Sentimiento
Porque sí
Morgen begint de laatste week van mijn Spaanse les. Dan heb ik in totaal drie maanden lang lessen gevolgd, vier uur per dag, vijf dagen per week. Dat komt neer op een totaal van 240 uur.
Je zou dus zeggen dat ik inmiddels een aardig woordje Spaans spreek. Ik zit inmiddels op B1-niveau. Dat wordt door het Common European Framework of Reference for Languages – wie kent het niet – omschreven als “intermediate”, oftewel: je kunt de taal zelfstandig gebruiken in alledaagse situaties, maar nog niet volledig vloeiend of complex.
Wat mij betreft is dat een accurate omschrijving. Een waardige conversatie voeren lukt me (nog) niet. De onderwerpen waar ik over kan kletsen blijven tot nu toe beperkt tot simpele dingen zoals reizen en werk. Ik kan omschrijven waar ik vandaan kom en hoe ik eruitzie. Zeggen hoe ik me voel (boos/blij/verdrietig). Ik kan vertellen wat ik in het weekend ga doen. En natuurlijk spreek ik goed horeca-Spaans – muy importante.
Op straat probeer ik sowieso Spaans te spreken, maar het gaat nog niet altijd even soepel. Het gebeurt regelmatig dat ik vol zelfverzekerdheid op een medewerker afstap, en die persoon vervolgens een verhaal begint waar ik geen touw aan kan vastknopen. Vaak lach ik dan een beetje schaapachtig, reageer ik met “sí, sí, gracias” en druip ik af. Soms vraag ik in het Spaans of ze het willen herhalen. Af en toe stel ik de vraag opnieuw in het Engels. Dan val ik wel door de mand, dus meestal kies ik voor een extra rondje door de supermarkt om toch maar zelf te vinden waar ik eigenlijk naar op zoek was.
Iedereen die denkt dat Spaans een makkelijke taal is om te leren, heeft het mis. De Spaanse taal kent meerdere verleden tijden, die je allemaal nét op een andere manier moet gebruiken. De ene voor recente of nog relevante gebeurtenissen, de ander voor afgeronde acties in het verleden. De volgende weer niet voor acties, maar juist voor beschrijvingen of gewoontes. Dan is er nog een aparte vervoeging om onzekerheid, wensen, emoties en subjectieve situaties te omschrijven. En los van wanneer je deze werkwoordsvormen moet gebruiken, hebben ze ook nog eens allemaal eigen (ingewikkelde!) vervoegingen. En onregelmatige vormen. Soms lees ik woorden waarvan ik denk dat ik de betekenis niet ken. Maar dan blijkt het gewoon weer een vervoeging van een of ander werkwoord te zijn.
Volgens mijn Spaanse profesora is het een kwestie van “practicar mucho” (veel oefenen) en een stukje “sentimiento” (gevoel). Zij kan ook niet altijd uitleggen waarom (“¿Por qué?”) je in een specifieke situatie precies die vorm moet gebruiken. “Porque sí” (daarom) – daar hebben we het mee te doen. Tussen de veilige muren van het klaslokaal kan ik op momenten overtuigd zijn van mijn sentimiento voor de taal. Tijdens praatoefeningen rollen de zinnen soms zo soepel uit mijn mond, dat ik er zelf van sta te kijken. Maar wanneer een Spanjaard op straat op snelheid 100 tegen me begint te ratelen, is dat sentimiento vaak weer ver te zoeken.
Ik moet me enorm concentreren als ik in het Spaans converseer. Laatst was ik nog niet zo lang wakker toen ik bij het tentje onder mijn huis een koffie ging halen. De dame achter de toonbank vroeg of ik de koffie to-go wilde. “¿Tomar (drinken) para aquí (voor hier) o para llevar (voor meenemen)?” “Tomar”, was mijn antwoord. Zucht.
Ach ja, meer dan je best kun je niet doen. Ik vind het leuk dat veel Spanjaarden gewoon in het Spaans terug praten, ook al hebben ze door dat je de taal niet goed spreekt. Sommigen helpen je zelfs een handje als je een foutje maakt. Nadat ik aankomende week mijn lessen afrond, moet ik gewoon mucho blijven oefenen in de praktijk. En dan komt dat sentimiento vast vanzelf.


